Zelf naar de prehistorie speuren met LiDAR

27 januari 2023
Hildegard Regnery en Wimmie Hofstra, MA @hofcultuur · copyright

Gisteren is de prestigieuze Europa Nostra-prijs uitgereikt aan de archeologen van de Leidse Universiteit. Deze prijs is de belangrijkste Europese onderscheiding op het gebied van cultureel erfgoed. Hij werd toegekend voor een bijzonder project waarbij LiDAR-kaarten werden gebruikt om het landschap te analyseren. “Met hulp van duizenden vrijwilligers hebben archeologen en studenten van de Universiteit Leiden hoogstwaarschijnlijk meer dan duizend grafheuvels uit de prehistorie ontdekt op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug”, zo kopt Nu.nl. Men dacht dat er op de Veluwe zo’n zevenhonderd grafheuvels waren, maar nu blijken het er zeker twee keer zo veel te zijn.

LiDAR-kaarten maken het verschil
Ook ons gezin heeft afgelopen november zelf met LiDAR-beelden gespeurd naar prehistorische grafheuvels. De kaarten zijn gebaseerd op laserhoogtemetingen vanuit een vliegtuig. LiDAR staat voor Light Detection and Ranging. De techniek werkt door laserlicht te versturen, te registreren wat ervan terugkaatst en uit de vluchttijd (TOF) de afstand tot objecten te berekenen. Zo ontstaat een uiterst nauwkeurige hoogtekaart. Dankzij de hoge resolutie van de nieuwste AHN-data (AHN3/AHN4) kun je als het ware door de bomen heen kijken. Deze kaarten waren ook de basis voor het Leidse citizen-scienceproject.

Wij speurden dus vanuit huis naar de prehistorie, geïnspireerd door documentaires van National Geographic waarin met LiDAR complete Maya-steden worden blootgelegd. Eerder waren we al gefascineerd door de ontdekking — mede door LiDAR — van de Romeinse goudmijnen in Noord-Spanje, waarlangs wij ooit zelf hebben gereisd zonder te beseffen hoe cruciaal die plek was voor de rijkdom van het Romeinse Rijk. De directe aanleiding voor onze eigen zoektocht was echter een fietstochtje langs het voormalige huis van mijn ouders…

Tegenover de prehistorische grafheuvel
Begin november logeerde ik, vanwege het laatste staartje van de corona-epidemie, een tijdje bij mijn ouders aan de rand van de Veluwe. Mijn vader stuurde me voor een boodschap van Bennekom naar Renkum, over mijn favoriete fietspad door het bos. Zo kwam ik langs het huis waar mijn ouders, inmiddels op leeftijd, ooit neerstreken na hun studententijd in Utrecht.

Klokbekers en touwbekers
Mijn ouders woonden destijds in een stulpje midden in het bos, tegenover een prehistorische grafheuvel. In Nederland zijn weinig zichtbare resten uit de prehistorie, maar grafheuvels zijn er wel — en op de Veluwe liggen ze vaak opvallend in het landschap, al zie je ze niet meteen zoals in Denemarken, waar groene heuvels het landschap bepalen. De meeste grafheuvels dateren uit ongeveer 3000–500 v.Chr. Vaak werd eerst één persoon begraven, waarna er later — soms eeuwen later — anderen bijgezet werden. Ze lijken in functie enigszins op hunebedden, maar zijn kleiner en minder zichtbaar.

Vondsten uit de prehistorische grafheuvel

Klokbekers
Aan de overkant van het voormalige ouderlijk huis staat al jarenlang een informatiebord. Daarop wordt uitgelegd dat de grafheuvel een imposante prehistorische begraafplaats is, waarvan de oudste kern dateert uit de Steentijd (ca. 2450–2000 v.Chr.). In het graf zijn twee Veluwse klokbekers gevonden. Klokbekers — aardewerken bekers die omgekeerd op kerkklokken lijken — zijn kenmerkend voor de Klokbekercultuur, die zich tussen ca. 2500–2000 v.Chr. over grote delen van Europa verspreidde. Deze cultuur wordt herkend aan specifieke keramiek, koper- en goudbewerking, langeafstandshandel, boogschieten, religieuze ideeën en sociale stratificatie. Omdat het verschijnsel zo wijdverbreid was, spreekt men van het continentale “Bekercomplex”. Rond de grafheuvel lag een greppel met palen. In de Bronstijd (1800–1500 v.Chr.) werd de heuvel drie keer vergroot en later werden er opnieuw mensen begraven.

Touwbekers
In de regio Bennekom–Renkum–Heelsum zijn zowel klokbekers als touwbekers gevonden. Touwbekers — potten met touwindrukversiering — horen bij de touwbekercultuur (Corded Ware), die tussen ca. 3000–2350 v.Chr. wijd verspreid was van Nederland tot Rusland. In het bezoekerscentrum van Renkum zijn replica’s van beide culturen te zien. Het gebied was dus inderdaad een culturele “meltingpot”.

1 Smidsgraf met aardewerken klokbeker, kussenstenen, koperen priem, stenen polsbeschermerfragment en een vuurstenen bijl en pijlpunt(en), Lunteren, 2300–2000 v.Chr.

2 Tongdolkjes, koper, div. vindplaatsen Gelderland, 2500–2200 v.Chr.

3 Tongdolk: het oudste tinbronzen object van Nederland, brons, Ginkelse Heide, 2300–2000 v.Chr.

Oorsprongen en migraties
De precieze oorsprong van de klokbekercultuur blijft onderwerp van debat. De oudste bekers zijn gevonden in het Iberisch Schiereiland, maar de verspreiding door Midden- en Noord-Europa hangt samen met bevolkingsgroepen die genetische steppe-invloeden meenamen. De touwbekercultuur heeft volgens de meeste recente DNA- en archeogenetische studies sterke banden met bevolkingen uit de Euraziatische steppe. Daarmee kwamen ideeën én mensen Europa binnen — maar culturele uitwisseling met lokale gemeenschappen speelde eveneens een grote rol.

Begraven op de zij, naar de zon gericht?
In veel grafheuvels worden mensen op hun zij begraven, soms met het hoofd naar het oosten en het gezicht naar het zuiden. Dit komt regelmatig voor bij zowel touwbeker- als klokbekergemeenschappen, maar het is geen universeel patroon. Ook het onderscheid tussen mannen en vrouwen — welke zijligging bij welk geslacht hoort — verschilt per regio. Grafgiften variëren ook, maar kussenstenen (aambeeldjes voor metaal) zijn inderdaad typisch voor klokbekergraven.

De revolutie in de archeologie
De afgelopen jaren is de archeologie sterk veranderd door technieken zoals (a)DNA-analyse, isotopenonderzoek, vergelijkende taalstudies en Big Data. Het tijdperk van touwbekers en klokbekers is een van de best onderzochte perioden geworden.

Massale migratie rond 3000 v.Chr.
Uit DNA-onderzoek — onder anderen van paleogeneticus David Reich — blijkt dat er rond 3000 v.Chr. grote migraties plaatsvonden vanuit de Euraziatische steppe. Deze Yamnaya-groepen vermengden zich met neolithische boeren in Europa en droegen sterk bij aan de genetische opbouw van latere culturen, waaronder delen van het continentale Bekercomplex. In sommige West- en Noord-Europese populaties bestaat ongeveer de helft van het DNA uit steppecomponent. Met migratie kwamen ook ziektes mee, waaronder vroege vormen van de pest — iets wat ook uit botmateriaal blijkt. In dat licht is corona als moderne parallel inderdaad herkenbaar: ziektes verplaatsen zich altijd mee met mensen. Veel van dit steppegerelateerd DNA is nog steeds prominent aanwezig in Europeanen, ook in Nederland.

De inzichten van de afgelopen jaren hebben het beeld van de prehistorie drastisch veranderd — en dat proces gaat nog steeds door.

Lees verder