Tulpenmanie

Lezing en artikel van Wimmie Hofstra, opgedragen aan Catharina Abels, secretaris en mede-oprichter van het Buitenmuseum ter viering van het 5-jarig jubileum op 26 juni 2022.

Tulpenmanie en het Buitenmuseum

De tulp wordt anno nu natuurlijk gezien als hét nationale product van Holland, maar de bloem is ook onlosmakelijk verbonden met het wel en wee van de schilders van het Buitenmuseum. Het verhaal van de Hollandse tulp begon met de wetenschappelijke belangstelling voor deze unieke en mooie bloem, die – ondanks het gebrek aan medicinale werking – bijzondere aandacht verdiende. In de botanische tuin van Leiden plantte Carolus Clusius (1526-1609) de tulpen in de omsloten tuin van de universiteit. Een openbare plek, waar mogelijk ook onze schilder Jan van Goyen (1596 Leiden – 1656 Den Haag) voor het eerst met de bloem kennismaakte.

We kennen het verhaal allemaal als de tulpenmanie en Van Goyen als de speculant die hierdoor het meest werd getroffen. Een pamflettenstrijd duidt erop dat het een zeer ernstige zaak was. Maar wat was de eigenlijke schade? Na de crash maakten nog veel kunstenaars de meest mooie bloemstillevens, waaronder de schoonzoon van Jan van Goyen. Zo is het drama ten goede gekeerd. Schoonheid, vanitas en wetenschap zijn in het tulpenverhaal met elkaar verbonden.

Hoe zat het dan precies?


Inleiding stillevens

We gaan het hebben over stillevens. Maar ter inleiding: het woord stilleven kende men in de 17de eeuw nauwelijks. De stillevens werden meer aangeduid aan de hand van wat ze voorstelden: een ontbijtje, banketje, een fruitstuk, bloemstilleven, jachtstilleven, keukenstilleven, pronkstilleven, etc. Over het algemeen specialiseerden schilders zich en maakten bijvoorbeeld uitsluitend bloemstillevens.

De schilders van het Buitenmuseum, zoals Jacques de Claeuw (1623-1694), maar ook Jan Steen (1626-1679), maakten diverse stillevens. Jacques de Claeuw maakte met name veel vanitasstillevens, maar heeft ook een aantal bloemstillevens gemaakt. Jan Steen specialiseerde zich – anders dan de meeste schilders – niet volledig in één genre. Hij combineert genres in één schilderij. Dat maakt zijn werk heel interessant en veelzijdig. We komen daar straks op terug.

Schilders van stillevens streefden er over het algemeen naar om in verf de levenloze voorwerpen zo echt mogelijk weer te geven. In de sterk concurrerende kunstmarkt van de 17de eeuw was specialiseren een kwestie van gezond verstand en een geoefend penseel kon zich het best bekwamen in een specialisatie. Motieven werden van elkaar gekopieerd. Het was een kwestie van imiteren en emuleren – nadoen en wedijveren – met de bedoeling elkaar te overtreffen. Verkocht iets goed? Dan was het voor herhaling vatbaar. Trends en innovaties volgden elkaar snel op, zodat de vele kopers elke keer iets anders konden aanschaffen.

Om het eenvoudig te houden, schetsen we een kleine ontwikkeling van het stilleven met een beperkt aantal kunstenaars.


Memling (middeleeuwen)

Het typisch Hollandse stilleven begon aan zijn ontwikkeling in de late middeleeuwen, vanuit religieuze schilderingen. Zo schilderde Hans Memling op de achterkant van een triptiek een vaas met bloemen vol christelijke symboliek: de kan met op de buik het Christusmonogram en de vele bloemen die verwijzen naar de Heilige Maagd Maria. Zeer realistisch, met de nieuw ontwikkelde olieverftechniek.

Het werd dus op de achterkant geschilderd en de voorstelling is ontleend aan een soortgelijke aanbidding van Memling (zie uitsnede). Zo’n twee eeuwen later ontwikkelt het zich als zelfstandig genre dat veel navolging krijgt. Het ontworstelt zich aan deze religieuze traditie, maar blijkt toch soms ook sporen van dubbelzinnigheid te behouden.


Wetenschappelijke belangstelling, handel en ‘vreemdigheid’

De Hortus Botanicus in Leiden is de oudste botanische tuin van Nederland en herbergt een wetenschappelijke verzameling planten. Het is één van de groene schatkamers van Nederland. Plantenrassen worden behouden die in de natuur zijn uitgestorven, een levende collectie dus.

Als je een bezoek brengt, kom je vanaf het Rapenburg meteen bij een besloten tuin tussen diverse gebouwen. Het is een reconstructie van de besloten tuin van de directeur Carolus Clusius (1526-1609). Hij kwam vanuit Wenen naar Leiden en was hier rond de eeuwwisseling de eerste directeur van de botanische tuin (1594). Hij kweekte hier meer dan zeshonderd tulpen. Het was de eerste grote tulpencollectie in Europa. Hij kreeg bollen van andere wetenschappers.

Door de internationale handel werden eind 16de en begin 17de eeuw twintig keer zoveel nieuwe soorten planten geïntroduceerd als in de tweeduizend jaar ervoor. De tulp werd vanwege haar schoonheid gekweekt, een nieuw fenomeen in deze tijd. Wetenschappelijk was het interessant om deze bloem te plaatsen in de plantenkunde.

De tuin van Clusius was een openbare tuin. In de periode dat Jan van Goyen in Leiden woonde, zal hij er ongetwijfeld weleens een bezoek hebben afgelegd om de tulpen te bewonderen.


Middelburg: bloeiend centrum van handel en de eerste stillevens

Niet in Leiden, maar in Middelburg begint het geschilderde verhaal van de tulp. Middelburg was een florerende handelsplaats waar veel schepen uit de ‘vreemden’ met exotische producten aanmeerden. Er was een kamer van de VOC aanwezig. Schelpen en bloembollen waren dit soort exotische producten. Verzamelaars en handelaren gingen er enthousiast mee aan de slag.

Het is dan ook niet zo gek dat de eersten die het bloemstilleven als genre ontwikkelen zich in Middelburg bevinden. Het zijn Ambrosius Bosschaert de Oude (Antwerpen, november 1573 – Den Haag, 1621) en zijn zwager, die bij hem studeerde, Balthasar van der Ast (Middelburg, 1593 of 1594 – Delft, december 1657).

Van der Ast is ook bekend vanwege de vele exotische schelpen die hij afbeeldt. Soms als apart subgenre, maar vaker nog komen schelpen voor bij de bloemstillevens. Ze liggen op een richel naast de vaas. Ook andere schilders doen dat na hem. In 1632 komt hij in Delft te wonen, waar hij de nodige bloemstillevens maakt.

De schelpen zijn net als de bloemen nieuwigheden, exoten, en komen van dezelfde schepen. De bloemen op stillevens worden gecombineerd met zeeschelpen uit bijvoorbeeld West-Afrika en uit het gebied dat wij nu Indonesië noemen: mooie veelkleurige en vaak ook glanzende, dikke schelpen, gedraaid, gekarteld, slakkenhuizen, etc.

Ook bij de bloemen is er sprake van een veelkleurigheid uit verschillende continenten in één vaas. Vaak gaat het om bloemen die bovendien in een andere periode tot bloei komen. De levendige handel in exotische bloemen, bloembollen, planten en zeeschelpen zorgde dus voor een nieuw genre in de schilderkunst.

De belangstelling van de 17de-eeuwer was niet alleen puur esthetisch, maar ook wetenschappelijk. Het afbeelden van de diverse bloemen had mogelijk voor de tijdgenoten nog een diepgaande betekenis die ons heden ten dage veelal ontgaat.

De liefde voor de tulp was overweldigend. De bloem kwam uit Klein-Azië en er werd al snel veel mee gekweekt, zodat we in Holland onze eigen variaties hadden. Vooral tulpen met de vlamvormige patronen waren in de 17de eeuw populair. Pas in de 20ste eeuw werd ontdekt dat het hier om een virus ging.


De Gheyn in Den Haag

Van Middelburg naar Den Haag met het kleine album met tweeëntwintig tekeningen van Jacques de Gheyn (1565-1629), gemaakt tussen 1600 en 1604. Het zijn kleurrijke, naar het leven uitgevoerde miniaturen van bloemen, rupsen, vlinders, insecten, slakken en andere kleine dieren.

Voorin het album staat een uitgewerkt stilleven met tulpen en een kievitsbloem. In 1604 verkocht De Gheyn dit album aan de Habsburgse keizer Rudolf II in Praag. De keizer was een echte verzamelaar en had een kunstkamer, waarbij voorwerpen uit de natuur, zoals schelpen en insecten, gecombineerd werden met munten, beelden en schilderijen.

Zo’n combinatie was voor de gewone verzamelaar overigens heel gewoon. Er werd met interesse en belangstelling verwoed verzameld en men geloofde dat je niet alleen via de Bijbel Gods werk kon ontdekken, maar ook door de natuur (natuurlijke theologie). De natuur is een tweede boek van God.

De Gheyn schildert fraaie bloemstillevens en heeft ook invloed door zijn meesterschap op Jacobus Vosmaer (Delft, ca. 1584 – aldaar, 1641), die in Delft bloemstillevens maakte die wat losser geschikt zijn.

De Gheyn is een interessante kunstenaar. Hij woont in het centrum van Den Haag. Hier schildert hij ook een vanitasstilleven (1603) met onder meer een schedel en… een tulp! De figuren die de boog hierboven flankeren, zijn Democritus en Heraclitus, de lachende en huilende natuurfilosofen van het oude Griekenland, die er weliswaar een heel andere werkwijze op nahouden, maar tot dezelfde conclusie komen: het is ernstig met de mensheid gesteld.

Nu zie je de tulp opkomen in het vanitasstilleven. Een redenering die ook voorkomt in de Bijbel. In Job:

De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust.
Hij komt voort als een bloem en wordt afgesneden.

Een bloem, zoals een tulp, is op de vaas maar een week goed – erg kort dus. Geen wonder dat er een grote bloeiende markt was voor bloemstillevens. De link met vanitas is voor de 17de-eeuwer vast geen ongebruikelijke geweest.

De dood lag op de loer en soms was het dansen op de vulkaan. De kindersterfte was bijvoorbeeld erg hoog, sociale vangnetten bestonden nauwelijks, hoewel kerkelijke instellingen hun best deden. In Europa waren regelmatig uitbraken van de pest. Holland werd bijvoorbeeld getroffen in 1624/25, 1635, 1655 en 1663-1664. Soms was een uitbraak zo heftig dat quarantainemaatregelen nodig waren (zoals in 1679). Er is dus niets nieuws onder de zon.


Op weg naar de tulpenmanie en Jan van Goyen

Na de val van Antwerpen in 1585 werd Amsterdam het centrum van commerciële activiteiten in Noordwest-Europa. Amsterdam is het magazijn van de wereld. Producten als textiel, specerijen, hout, wijn, gedroogde vis, maar met name graan werden hier opgeslagen en verhandeld. Een ware warenmarkt, en die had een nieuwe vinding tot gevolg. De effectenbeurs werd opgericht en een bank, de Wisselbank, om toezicht te houden op de valutawisselingen. Door de handel op de effectenbeurs kon je zowel handelen in goederen als in papier. Zo werd de eerste aanzet gemaakt voor een nieuwe vorm van handel.

Tulpen werden in het begin vooral verzameld als curiositeit, nieuwigheid. Het waren exoten die hun plek in de plantenkunde kregen. Geliefd vanwege hun schoonheid, ‘vreemdigheid’ of nieuwigheid en, in de tijd van de Wetenschappelijke Revolutie die de 17de eeuw was, tevens onderwerp van onderzoek. Hierdoor kregen ze niet alleen een plek in de botanische tuinen, maar ook in de plantenkunde.

Maar er was meer… In de jaren dertig van de 17de eeuw werden de bollen speculatieve handelswaar. Gekte dreef de prijzen op tot extreme hoogte en een val van de markt bleef niet uit.

Tulpenbollen werden soms verhandeld als fysiek goed, soms werd tulpenzaad verhandeld, maar al te vaak werd gehandeld in papieren die de eigenaar en de schuldenaar aangaven. Onderzoek naar de tulpenhandel toont aan dat het een stedelijke aangelegenheid was en dat de zogenaamde ‘bloemisten’ vooral met bekenden, familie en geloofsgenoten handelden. Bovendien deden ze dit in beperkte kring, in het eigen woongebied.

In Amsterdam waren het de internationale handelaren uit de chiquere grachtengordel; in Haarlem, het epicentrum van de handel, waren het vooral de ondernemers, bijvoorbeeld de lakenhandelaren; en in Leiden ging het net zo. Er kwamen veilingcatalogi en verzamelaars lieten zo nu en dan een fraai perkamenten boek maken met botanische tekeningen. Tulpenbollen gingen van de hand ruim voor het bloeiseizoen. Het gokelement was des te groter bij tulpen met een gevlekt patroon. Deze tulpen hadden een virus, waardoor het telkens een verrassing was hoe ze eruit zouden komen te zien, maar juist deze tulpen waren populair.


Jan van Goyen en de tulpenmanie

Op het hoogtepunt van de tulpenmanie zette Van Goyen zijn naam op een verkoopnota, opgesteld door de dealer Albert Claesz van Ravesteijn.

“Ik heb aan meester Jan van Goyen een tulp ‘Hagenaer’ verkocht voor 18 gulden en vier tulpen genaamd ‘Rijnwijcker’ voor negen gulden per stuk.”

Van Ravesteijn zal voor vier van deze ‘Rijnwijckers’ genieten van een schilderij genaamd Afbeelding van Judas, ter waarde van 36 gulden, en tevens 32 gulden in geld. Ook een tulp ‘Macx’ met een offset van 50 azen gewicht in ruil voor een schilderij van Ruijsdael ter waarde van £60. Alleen al het geld dat aan die deal werd uitgegeven, laat staan de schilderijen, vertegenwoordigde meer dan een maandloon voor een Amsterdamse metselaar.

Op 4 februari 1637 zette Van Goyen zich in voor nog extravagante aankopen: twee ‘Kamelotten’ (de rode en gele tulp die Alexander Marshall in zijn bloemenalbum schilderde) van vier pond elk, één ‘Parel’ van achttien pond, één ‘Jan Gerijts’ voor de verbazingwekkende som van zestig pond, vier ‘Maerzen’ ook van zestig pond per stuk en kwart aandelen in tal van andere tulpen. Op het verkoopbewijs stond een onheilspellend opschrift:

“Verplichting voor Jan van Goyen… £ 858”.

Wat hier opvalt, is dat hij de tulpen heeft gekocht aan de vooravond van de crash, maar ook nadat de markt al ingestort was. Net als tegenwoordig met de handel in cryptomunten zal een heel scala aan economische factoren geleid hebben tot het instorten van de markt. Als mogelijke hypothese wordt wel een uitbraak van de pest tussen 1633 en 1635 genoemd, die voor een opwaartse spiraal had gezorgd in lonen voor arbeiders als metselaars, timmerlieden, houthakkers en loodgieters. De opwaartse loon-prijsspiraal zou inflatie in de hand hebben gewerkt.

Jan van Goyen wordt vaak als voorbeeld aangehaald om aan te duiden hoe ernstig de handel in tulpenbollen kon aflopen, maar feitelijk is dat niet terecht. Vaak wordt genoemd dat hij een faillissement niet heeft kunnen afwenden door zijn op geld beluste handel met de tulp. Hij was een echte tulpenmaniak, althans zo wordt hij neergezet.

Dit alles berust echter op een misvatting. Van Goyen had de pech om op 27 januari en wellicht de stommiteit om op 4 februari 1637, de dag na de crash, verschillende tulpendeals te sluiten, maar het werd niet zijn ondergang. Van Ravesteijn had het kennelijk nooit een probleem gevonden dat de schuld niet was vereffend, waardoor deze was blijven staan tot zijn dood, ruim na de crash. Hij had niet aangedrongen op faillissement bij Van Goyen. Van Goyen is nooit failliet gegaan en de familie Van Goyen ook niet. Wel eindigde zijn echtgenote in het Hofje van Nieuwkoop, een liefdadigheidshofje op de Prinsegracht. Hoe zat dat dan?

Zeker is dat het leven van kunstenaars niet over rozen ging en ook Jan van Goyen ging het niet altijd voor de wind. Zo zou je tussen de regels kunnen lezen uit het bronmateriaal. Een voorbeeld zou je er in kunnen zien dat hij bij de levering van het schilderij Den Haag vanuit het Zuidoosten aan het stadsbestuur de rekening tot twee maal toe inbracht. Maar was dat niet bij hetzelfde stadsbestuur waar Van Ravesteijn werkzaam was als burgemeester, en zou dat niet op zijn initiatief kunnen zijn gebeurd?

Een ander voorbeeld dat wordt aangedragen is dat hij in 1654 naar de Wagenstraat verhuist. Hij kan dan nog makkelijk in zijn atelier achter het huis werken. Mogelijk gaat hij kleiner wonen nu Jan Steen met dochter Margriet in Delft gaat wonen. Zijn andere dochter, die met Jacques de Claeuw trouwde, is het huis al uit.

Er is geen directe relatie tussen het instorten van de tulpenmarkt en de verhuizing. De tulpenmanie vond in 1637 plaats en de verhuizing in 1654.

Van Goyens schulden bij zijn overlijden op 27 april 1656 bedroegen minstens f 18.000, waarvan vele waren opgelopen in de actieve speculatie in land, lang na de daling van de tulpenprijzen. Tegenover deze schulden stonden panden en inventaris. Van Goyen kocht, verkocht en ontwikkelde eigendom van de jaren 1620 tot de jaren 1640. Na verkoop van alle panden en de inventaris van het huis zijn alle schulden vereffend. Formeel was er dus helemaal geen sprake van een faillissement.

Weliswaar had Van Goyen bij zijn overlijden schulden, maar daar stond de waarde van diverse panden tegenover. Als projectontwikkelaar bouwde hij diverse panden, zoals het Spinozahuis, het Jan van Goyenhuis en het Paulus Potterhuis. Hij financierde dat met leningen, zoals tegenwoordig nog steeds heel gebruikelijk is – al noemen we dat nu een hypotheek.

Het verschil met die schuld uit de tulpenhandel was nu juist dat dáár geen waarde meer tegenover stond, dus die schuld bleef hem achtervolgen. De tulpenmanie was een nieuw fenomeen in de Nederlandse (speculatie)geschiedenis en bij de afhandeling ervan gold vaak een ‘we komen er samen wel uit’-achtige polderconstructie, waarbij koper en verkoper er in onderhandeling wel een mouw aan wisten te passen.

Hierdoor viel de schade in financieel opzicht enorm mee, maar niet in sociaal of politiek opzicht. Door de bekende pamfletten uit de 17de eeuw wordt dan ook een ander beeld geschapen, maar dat is veelal propaganda. De publieke mening werd weer danig bespeeld.

Schuldeisers namen na het instorten van de tulpenmarkt meestal genoegen met betaling van een deel van de schuld. Een algemeen aanvaarde vorm van schuldsanering, waardoor het maatschappelijke leven weer kon doorgaan. Van Goyen trof echter een schuldeiser die daar waarschijnlijk van afzag en daarom werd de schuld niet vereffend. Of een van beiden dat problematisch vond, blijft de vraag.

Terwijl de tijd van speculatie met tulpen na 1637 voorbij is, werd het verhaal later met de kool en de hyacint dunnetjes herhaald. Het ineenstorten van de tulpenmarkt heeft mogelijk tot gevolg gehad dat het bloemstilleven met geschilderde tulpen nu niet alleen vanwege de vergankelijkheid van de mooie en dure tulp als bloem die maar kort bloeit, maar ook in verband met het snelle verlies van geld en goederen, symbolisch verbonden raakte met vanitas.


Ontwikkelingen in de schilderkunst

Wat opvalt in de ontwikkeling van de bloemstillevens in de 17de eeuw is dat de eerste schilderijen een bijna wetenschappelijk-realistische weergave van de afzonderlijke bloemen laten zien, die netjes symmetrisch in de vaas zijn geschikt.

Veelal in volle bloei en de vele insecten die op de bloemen krioelen, lijken niet van deze ‘verboden vruchten’ te eten. De belichting is egaal. De bos staat in het volle licht. Je zou van elke bloem een studie kunnen maken.

Dit verandert in de loop der tijd. De lichtval wordt natuurlijker, de ene bloem staat meer in de spotlight dan de andere en de bloemen worden ook van verschillende kanten getoond. Tijdens de opbloei van de barokke schilderkunst in de tweede helft van de 17de eeuw gaat het pas echt los.

Het gaat niet alleen om het boeket als geheel in plaats van alle afzonderlijke bloemen; dat is een andere beeldstrategie om de zeggingskracht van het kunstwerk te vergroten. Het zijn dynamische composities met veel diagonalen, waarbij bloemen zich aan de bovenkant van het tafereel opheffen en neerbuigen tot ver onder de voet van de vaas aan de onderkant.

Het bloemstilleven ontwikkelde zich tot grote hoogte en door dit arrangeren is de levensechtheid van de bloemen gegarandeerd. Bloemen van alle leeftijdsfasen – van pril in de knop tot oud en verlept – staan samen in een fraaie vaas en insecten hebben er een feestmaal aan.

Dit is grosso modo de ontwikkeling, maar er zijn ook nog wat kanttekeningen te plaatsen, en dat doen we met behulp van onze eigen kunstenaars, de kunstenaars van het Buitenmuseum.

Jan van Goyen is bekend vanwege monochrome schilderijen van Hollandse landschappen in aardkleuren, met goedkope pigmenten. Niet al zijn werken zijn zo, maar veel voor de markt geschilderde voorstellingen wel, met name het werk dat hij grofweg tussen 1625 en 1640 maakte.

Dit soort monochrome schilderijen was toen in de mode. Deze aanpak gold ook voor andere genres, zoals stillevens. Zelfs Jan Davidsz. de Heem, wiens bloemstillevens in het derde kwart van de 17de eeuw zo’n explosie van kleur zijn, maakt in deze tijd nog een stilleven in een boerenschuur (Leiden, Lakenhal 1631) in gedempt bruin en grijs. Nu is De Heem niet een van onze kunstenaars, maar in het Van Balckeneynde Huis is wel een schildering die gebaseerd is op één van de meest expressieve bloemstillevens uit Den Haag, een schilderij van De Heem.

Als je aan de schilderkunst van stillevens denkt, kom je al snel uit bij Jacques de Claeuw, een schoonzoon van Jan van Goyen. Opvallend aan de Haagse periode van De Claeuw is het gebruik van een sober palet met veel okerkleuren. Dit geldt met name voor zijn vanitasstillevens, maar je ziet het zelfs ook in de bloemstillevens terug.

De Claeuw gebruikte soms grof en fijn penseelwerk in één en hetzelfde werk. Deze werkwijze is identiek aan het werk van Abraham van Beijeren, één van de meest beroemde stillevenschilders, die mogelijk zijn leermeester was. Net als De Claeuw was Van Beijeren enige tijd werkzaam in Den Haag.

Jacques de Claeuw beoefent een aantal subgenres. In zijn bloemstillevens plaatst hij rozen, anjers, tulpen, papavers, irissen, viooltjes en andere bloemen min of meer ongeordend in een vaas.

Het schilderatelier van Abraham van Beijeren (1620/21-1690) was ook in deze buurt te vinden, iets verderop in de wijk. In tegenstelling tot zijn tijdgenoten, die felgekleurde bloemen in volle bloei weergeven, schildert Van Beijeren een boeket waarbij er een combinatie is van bloemen in bloei en bloemen die over het hoogtepunt heen lijken te zijn. Door de combinatie van bijna uitgebloeide bloemen en het openliggende zakhorloge – in de schilderkunst een verwijzing naar het verstrijken van de tijd – wordt een associatie met vanitas gewekt. Het klokje tikt door, het leven is eindig.


Het schilderij van Jan Steen

Als we even teruggaan naar Delft, dan weten we nu dat Delft een zekere traditie kende op het gebied van bloemstillevens. Van de eerste generatie bloemstillevenschilders waren er een aantal werkzaam in Delft, zoals Balthasar van der Ast en Jacobus Vosmaer (1574-1641).

Steden specialiseerden zich, en van Delft kan je zeggen dat de genres die hier vanaf het tweede kwart van de 17de eeuw tot 1650 werden beoefend en vermaard waren: het historiestuk, het portret, het stilleven en het landschap.

In deze context is het schilderij van Van Mierevelt (1566–1641) ook interessant. Het is heel glad geschilderd en laat een vrouw en man zien, die zich laten portretteren met een tulp en schelpen. Het is een vrij vroeg portret, uit 1609. Van Mierevelt wijdde zich eerst aan stillevens en begon uiteindelijk met portretteren.

Vanaf 1650 voltrekt zich een ware schilderrevolutie in Delft en het schilderij van Jan Steen waar we het over willen hebben, valt in deze periode. Met de genres kerkinterieurs, interieurstukken en de gezichten op en in Delft wordt een nieuwe weg ingeslagen. De oude generatie gaf de voorstelling weer tegen een donkere achtergrond, of het nu om een bloemstilleven gaat of een portret. Alle aandacht gaat zo uit naar het onderwerp. Wat Delft tot zo’n spannende schilderstad maakt na 1650 is dat de gemeenschappelijke belangstelling voor de weergave van licht en het experimenteren met perspectivische problemen – met als doel de voorstelling een zo illusionistisch mogelijk karakter te geven – deze genres onverbrekelijk met elkaar verbindt.

Het enige schilderij van Jan Steen waarvan we zeker weten dat het uit Delft afkomstig is, is Adolf en Catharina Croeser aan de Oude Delft (1655), voorheen bekend als Burgemeester van Delft en zijn dochter, uit de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam. Behalve een portret is het een stadsgezicht en bovendien heeft het ook nog een klein bloemstilleven met tulp. Hij combineert genres waar Delft beroemd om was: het portret, het bloemstilleven en het stadsgezicht. Nu kan bij de katholieke Steen het bloemstilleventje ook een traditie vanuit de religieuze kunst hebben. Zoals we zagen, is het bloemstilleven vanuit de religieuze kunst gegroeid tot zelfstandig genre.

Dat maakt het tot een heel interessant schilderij. Natuurlijk was zijn zwager schilder van stillevens, en ook het subgenre bloemstilleven nam hij ter hand, maar dit schilderij van Jan Steen is zo anders geschilderd dan het werk van Jacques de Claeuw dat het meer een precieze werkwijze met heldere kleuren laat zien, waarbij met name het bloemstilleven heel precies en fijntjes is uitgewerkt.

Van Jan Steen kan je zeggen dat hij in elke stad waar hij neerstreek zich aanpaste aan de schilderkunst die daar gangbaar was en deze verbeterde, veranderde of innoveerde. Hij imiteerde niet, maar overtrof zijn voorgangers. Maar aangezien de schilderkunst al van zo’n hoog niveau was, werkte hij als katalysator, die de kwaliteit en zeggingskracht van de schilderkunst elke keer weer tot grotere hoogte stuwde.


Tulpenboek

In de tijd van de Wetenschappelijke Revolutie was wetenschap dus nauw met kunst verbonden. Alida Withoos uit Amersfoort maakt een groot aantal botanische tekeningen voor de botanische tuin van Amsterdam en één van de fraaiste tekeningen in het tulpenboek van perkament van het Frans Hals Museum is van Judith Leyster. Het tulpenboek werd voor een verzamelaar of handelaar gemaakt.

Dit soort botanische tekeningen konden ook gebruikt worden bij het maken van schilderijen. In de barok is er een vreemd soort realisme. Het lijkt alsof de anjer en de goudsbloem, de tulp en de pioenroos tegelijkertijd bloeien, maar in feite is dat in de 17de eeuw niet mogelijk.

Er werd dan ook gebruik gemaakt van tekeningen en voorstudies en aan de hand daarvan kwamen schilderijen tot stand. Tegenwoordig kunnen we deze bloemen allemaal wel tegelijkertijd bloeiend in een vaas zetten, vanwege de internationale handel en de kassen die dit mogelijk maken, maar vroeger was dit echt onmogelijk.

Er was dan ook niemand die bij het bekijken van zo’n stilleven dacht: “Mooi gerangschikt, ik ga even langs de markt en doe het ook zo.”


Behang van goudleer

Behalve bloemstillevens komt de tulp nog meer voor in het interieur van de 17de-eeuwse panden van het Buitenmuseum. In de Blauwe Salon van het Van Balckeneynde Huis, waar nu behang zit van geweven damast, zat in de 17de eeuw goudleerbehang (1638-1680).

Dat weten we uit de boedelbeschrijving die gemaakt is bij het overlijden van Van Balckeneynde. Goudleerbehang was ook toen al iets bijzonders en erg kostbaar, en verdiende daarom speciale vermelding.

Goudleer, ook wel Cordoba-leer of Cuir de Cordoue, is een wanddecoratie van fijn leer (meestal van gelooide kalfshuiden), waarop afbeeldingen van bladzilver werden bevestigd, afgedekt met een goudkleurige vernis. Goudleerbehang diende tot het behangen van vertrekken, in plaats van wandtapijten.De techniek was ooit uitgevonden in Noord-Afrika en door de Moren meegenomen naar Spanje, waar in Cordoba goudleer werd gemaakt dat zijn weg vond door heel Europa. Vandaar ook de bijnaam Cordoba-leer. In 1628 deed een Haagse goudleermaker, Jacob Dircxz de Swart, een belangrijke uitvinding: hij bedacht een methode om met stempels reliëfs in het leer te persen. Dit goudleer reflecteerde zon- en kaarslicht nog beter dan het vlakke goudleer.

Al gauw kwamen allerlei nieuwe ontwerpen in trek, zoals bloemmotieven, vogels en putti-figuren. En precies om dát type goudleer gaat het hier: bloemmotieven (o.a. tulpen – het was de tijd van de tulpenmanie) die in reliëf zijn gestempeld.

Bij de restauratie in 1976 kwamen er stukken goudleer tevoorschijn.


Tegels

Ook in de tegeltableaus zijn tulpen en ook een kievitsbloem verwerkt. Er zijn een aantal aardewerken tegels met tinglazuur die een drietulp in vaas voorstellen, compleet met tulpenbol.

Het zijn ambachtelijk gemaakte tegels uit diverse periodes die zich in de keuken van het Van Balckeneynde Huis bevinden en afkomstig zijn van panden uit het Spuikwartier die in de jaren zeventig werden gesloopt.


Rachel Ruysch

We besluiten het verhaal met één van de boegbeelden van de schilderkunst van het bloemstilleven: Rachel Ruysch. Zij is de dochter van de wetenschapper Frederik Ruysch en kleindochter van Pieter Post, die het Van Balckeneynde Huis ontwierp.


Conclusie

De tulp is in de 17de eeuw veel meer geweest dan alleen een geliefde bloem. Zij stond op het kruispunt van wetenschap, handel, kunst en speculatie. In de botanische tuin van Clusius werd de tulp een object van studie; in Middelburg en Delft groeide zij uit tot een nieuw schilderkundig motief; in Amsterdam werd zij tot handelswaar en symbool van ongekende speculatie tijdens de tulpenmanie.

Ook tijdens ons jubileum is dankzij Catharina Abels een grote bloemenzee aan tulpen aangelegd in de tuin van zowel het Jan van Goyenhuis, het Van Balckeneynde Huis als het huis van Bartholomeus van Hove. We vieren het ten tijde van het varend corso, waarin een bloemenzee aan het Buitenmuseum voorbij zal trekken.